Pennenvruchten.nl

“The self-styled intellectual who is impotent with pen and ink hungers to write history with sword and blood.” Eric Hoffer quotes (American Writer, 1902-1983)

De automobiel en ik: een gouden combinatie!

(De tekst staat af en toe wat raar achter elkaar maar dat ga ik binnenkort wel even fixen)

De automobiel en ik: da’s een gouden combinatie!

Althans, dat vind ik dan. Mijn autoverzekeraar (inmiddels de vierde in rij) , een bepaalde
autodealer in mijn woonplaats Dronten (in verband met een mogelijk nog in te dienen schadeclaim zal ik de naam nu even niet noemen), een tuincentrum uit dezelfde plaats en een biologische boer in Engeland zullen waarschijnlijk een hele andere mening zijn toegedaan.

Maar wie heeft er nu gelijk? Zij of ik?

Hier volgen de feiten:

Volgens mijn rijbewijs heb ik nu al meer dan zeven jaar een rechtsgeldig brevet van
rijvermogen. In die zeven jaar heb ik reeds acht auto’s bezeten (of kan ik beter zeggen:
versleten?). Nu denkt u natuurlijk vast dat ik een roekeloze rijder ben. En u denkt natuurlijk
ook dat roekeloos rijden de reden zal zijn van dat veelvuldig wisselen van auto’s . Deze
aanname, hoewel een begrijpelijke en misschien nog wel zelfs ook nog wel logische, is
mijnsinziens toch een beetje te makkelijk. En ook, om in toepasselijke termen te blijven, toch
ook een beetje te kort door de bocht. Want ten eerste reed ik altijd mét roek, en tweede was
namelijk zo dat de meeste auto’s die ik mij financieel kon veroorloven -de aankoopprijs
schommelde altijd rond de 500 euro- ,de zogenaamde barrels, al allerlei verborgen gebreken
bleken te hebben. Hierdoor stonden ze in feite al bij aankoop, met twee wielen op de
autosloop geparkeerd. Een nieuwe tiende hands auto voor de koop laten checken ,
bijvoorbeeld door een garage, is een wijsheid die ik later pas, door schade en schande heb
verworven. Sommige auto’s waren dus al op toen ik ze kocht. Andere auto’s heb ik zelf
misschien inderdaad een beetje opgemaakt; doordat ik soms bepaalde essentiële vloeistoffen
vergat bij te vullen, soms het maximale gewicht waarmee een auto beladen kon worden,
overschreedt, en soms ook wel eens een bepaald casco onderdeel zoals de motorklep van de auto, vergat dicht te
doen waardoor mij terwijl ik met 120 km per uur over de snelweg raas, ineens de blik op de weg ontnomen wordt.

Maar aan mijn rijvaardigheid lag het meestal niet. Zo heb ik gelukkig ook nooit echt grote
ongelukken gehad. Althans, niet toen ikzelf aan het stuur zat. Maar nu we het toch over
rijvaardigheid hebben, de kunst van het rijden ,dat geef ik dan wel weer ruiterlijk toe, was
inderdaad niet aangeboren.

De eerste keer dat ik voor het rijexamen zakte, was toen ik in de stad Utrecht op een gegeven
moment, achter een bus aanreed. Dan is er toch nog niets aan de hand, hoor ik u zeggen.
Inderdaad, maar als ik u nu vertel dat ik op een gegeven moment ook de het woord
‘BUSBAAN’ op het asfalt onder de auto zag doorschieten, zult u de uitslag wel begrijpen.

“Hee, ik rijd op een busbaan!” , ontglipte mij zelf nog spontaan nadat ik eenmaal de witte
letters op het asfalt tot een begrijpelijk woord in mijn hoofd aaneen had geregen. Ik was me
niet eens bewust van het feit dat rijden op een busbaan hartstikke verboden is: ik mocht het
theorie examen dan wel in één keer gehaald hebben, ik was die theorie daarna ook weer in één
keer vergeten! Het enige wat de examinator naast mij deed, was mijn constatering met een
kort knikje, een pesterig

“Mmm”

dat in toonhoogte omhoog ging en daarna een overduidelijk
duivels glimlachje beamen. Dat hij daarna met nogal bruuske halen van zijn balpen iets in zijn
bloknootje schreef (of wat het soms doorstrepen? ) deed mij ineens vrezen voor de goede
afloop van mijn examen. Later legde de examinator inderdaad uit dat, afgezien van een paar
andere rij fouten, de mijn tour op de busbaan, toch wel de doorslag had gegeven voor het
negatieve resultaat. De tweede keer dat ik een kans had mijn rijkwaliteiten te laten zien, was
wederom in de stad Utrecht, trouwens een heksenketel als je er met de auto in moet.

Ditmaal had ik van tevoren een plan gesmeed . Het plan bestond eruit bussen en hun
rijbanen als de pest-pokke-builenpest te vermijden. De uitwerking bestond eruit om bewust
rijaanwijzingen (ga hier maar naar links) in de wind te slaan door ze zogenaamd niet te horen;
alles om maar niet in de buurt van een bus en dus een busbaan terecht te komen. Wonder
boven wonder slaagde mijn plan en ook andere, meer standaard dingen zoals de hellingproef
en keren in een straatje, lukte allemaal prima . Nadat de examineertijd er zo ongeveer op zat,
was ik er dan ook van overtuigd dat ik nu wel geslaagd moest zijn. Iets in de houding van de
examinator gaf me daarin ook bevestiging, al zou ik nu niet meer kunnen zeggen waaruit dat
nu precies bleek.. Eenmaal teruggekeerd op de parkeerplaats waar we ook waren ingestapt aan
het begin van het rijexamen, stapte de rijexaminator de auto uit en zei, voordat hij de deur
dichtgooide:

“ Als je de auto nou nog effetjes daar bij die bosjes achteruit inparkeert, dan loop ik alvast
naar binnen en kunnen we de zaak wel zo’n beetje afhandelen.”

Ha,dat klonk tenminste positief! Ik begon braaf te doen wat hij me gezegd had. Behoedzaam
en overdreven kijkend over mijn schouder reed ik naar achteren. Langzaam en ook richting
een bosschage van fel bloeiende oranje vuurdoorns. Net toen ik dacht dat de auto zo wel goed
zou staan, keek ik naar voren om te kijken of ik deze hele exercitie eigenlijk wel deed onder
het toeziend oog van de examinator. Of ik me inderdaad wel zo hoefde uit te sloven de auto
goed te parkeren of dat het er niet meer zo op aan kwam omdat hij bijvoorbeeld al naar binnen
was gegaan. Dat had ik beter niet kunnen doen, want hoewel ik naar voren keek en ik daar tot
mijn schrik de man inderdaad zag staan kijken, was ik blijkbaar niet gestopt met naar achteren
rijden. Een raar regenachtig, ja zelfs schraperig geluid tegen de ruiten en ook op het dak
boven mijn hoofd, was het gevolg. Geschrokken keek ik achterom en al wat ik zag was een
ondoorzichtige oranje waas, een beetje alsof een al te fanatieke Oranjesupporter de achterruit
had geblindeerd met een voetbalshirt van een speler van het Nederlands Elftal . Ik had de
auto, en nog behoorlijk diep ook, in de vuurdoornbossage geparkeerd! Terwijl ik meteen
besefte dat dit rijbewijs technisch wel eens foute boel kon zijn, wist ik niets anders te doen om
dan de sleutel maar uit het contact te halen en maar weer uit te stappen. Niet om durven
kijkend hoever de auto nu precies met zijn kont in de bosjes stond, liep ik met tegenzin op de
examinator af, hopend dat er bij hem sinds zijn eigen uitstappen, spontaan een acuut geval van
nacht- of liever dagblindheid was ingetreden. Toen ik eenmaal dichterbij kwam, zag ik dat hij
zijn hoofd aan het schudden was. Nog wat dichterbij, zag ik dat zijn pen langzaam richting
blocnote bewoog en niet lang daarna volgde een felle uithaal met zijn hand. Zonder een
woord te zeggen liepen we gezamenlijk op de deur af die leidde naar het sportzaaltje waar ik
ooit eens hoopte dat mijn rijbewijs zou worden uitgereikt. En even dacht ik zelfs nog: ach, één
foutje op een verder foutloze rit, wie weet ben ik nog wel geslaagd! Maar binnen vervloog die
droom al snel. Ik was gezakt ….als een baksteen. aldus de letterlijke woorden van de
examinator.

“En kunt u ook uitleggen waarom?” durfde ik zelfs nog te vragen.

-“Omdat je op het laatst, bij het achteruitparkeren, een grote fout heb gemaakt.

“En wat verstaat u dan precies onder een grote fout, drong ik aan, Ik bedoel, bestaan er ook
fouten die nog wel door de vingers worden gezien en zo ja, was de fout bij het inparkeren er
misschien niet toevallig zo eentje? ”

Zichtbaar geërgerd sprak hij de onsterfelijke woorden:

-“ Moet u eens goed luisteren, meneer Botervloot, fouten waarna we de auto opnieuw naar de
spuiterij moeten brengen, verstaan we meestal wel onder ‘grote fouten, ja”.

Nou ja. drie maal is scheepsrecht zal ik maar zeggen. De derde keer dat ik mijn rijbewijs
probeerde te halen, was in de Noordoostpolder, in het werelddorp Emmeloord. Als examinator
trof ik dit keer een oude, gepensioneerde fruitkweker. In die tijd was ik net begonnen met een
biologische landbouw opleiding en ik had net de eerste beginselen van het snoeien van
fruitbomen geleerd. Het plantenrijk bleek een geliefde en gedeelde passie. Door mij extra
geliefd omdat ik met het babbelen over fruitbomen niet alleen mijn eigen stress van het
rijexamen kon vergeten, maar ook omdat ik het idee had dat, als ik het maar genoeg over de
meest uiteenlopende fruitbomensoorten had, ik daarmee misschien wel het oude fruitbaasje
zijn opmerkingsgave ter zake eventueel door mij gemaakte rijfouten in slaap kon sussen. Feit
was in ieder geval dat onder het praten vanzelf het tempo van onze eigen auto omlaag ging.
Maar nu het gekke: ik had toch sterk het idee dat ook de andere weggebruikers langzamer
leken te rijden. En dat allemaal door al die over en weer vliegende vaktermen als waterloten,
scheuten, zijknoppen, eindknoppen en jawel, zelfs slapende knoppen! Het rijexamen verliep
dan ook zeer voorspoedig en eigenlijk als vanzelf. Een beetje zoals dit:

-“Je moet gewoon zorgen dat je de elkaar kruisende takken of de langs elkaar schurende
takken- hier maar naar links- weghaalt, zodat je een mooi open – hier de snelweg op- kroon
krijgt. Er moet namelijk – neem deze afslag maar- licht in de kroon kunnen doordringen”.

Ik slaagde.

Nadat ik mijn rijbewijs kreeg uitgereikt (“Alsjeblieft, hier heb je dat roze papiertje
dat jullie altijd zo begeren…. en nooit snoeien als het vriest hè) was het tijd om mijn eerste
eigen autootje te kopen. Het werd een witte Mazda 323 Hatchback uit 1988. Ik heb geen idee
meer waar ik hem vandaan had gehaald , maar hij deed het, was nog redelijk goedkoop ook
(325 euro) en daarom kocht ik hem dus maar. Ik had ook niet geweten waar ik verder op zou
moeten letten. Men vertelde me dat er tenminste wel een half jaar APK op moest zitten en dat
was zo, dus…… rijden met die geit! Hartstikke geinig dingetje, ging op de snelweg wel 110
km per uur (maar dan moest je geen gesprek meer willen voeren en ook geen bezwaar hebben
dat je ruggengraat zonder de hulp van een chiropractor, opnieuw werd gerangschikt) had drie
deuren en nog maar weinig roest.

In De Mazda heb ik in totaal een half jaar in gereden, totdat ik op
een gegeven moment op een verlaten bedrijven terrein in een Utrecht een citroen Ds, model
Dsuper 5 uit 1973 ( ook wel bekend onder de stoere naam de ‘snoek) zag staan. In mijn hoofd
kreeg ik meteen het beeld van een blasé, zuchtend en uitgewoond fotomodel, wijs en gerijpt,
maar ook gebruikt en moe. Wellicht dat het feit dat de auto op bijna lege banden stond en dat
ze een achterdeur had die redelijk ingedeukt was, bijgedragen heeft aan het ontstaan van dat
mentale plaatje. Ze mocht dan wel moe en uitgewoond lijken, feit was wel dat toen ik haar
zag staan ,ik me voelde alsof ik door de bliksem geraakt was: die vorm, die neus die
koplampkasten… ik was op slag verliefd! Dit was geen auto, dit was een kunstwerk op
wielen! Die aparte bruine metallic kleur (brun scarabee) , dat lichtgrijze lage dak, die
prachtige ronde vormen, die ongelooflijke lengte; dat tezamen had ik nog nooit in één auto
gezien! ‘Te koop’ stond er op het bordje voor de voorruit. Ergens dacht ik de auto te
herkennen uit een ver verleden. Had mijn opa niet ooit dezelfde auto gehad? En was het leven
toen ik samen met hem in die auto zat niet heerlijk ongecompliceerd? Precies! Zó moest mijn
leven weer worden en daarom belde ik met mijn mobiele telefoon het telefoonnummer dat
ook ergens op het bordje stond. Achttienhonderd euro vroegen ze ervoor. Slik! Maar, vertelde
de man aan de andere kant van de telefoon, hij was omgebouwd zodat hij ook op gas kon
rijden; dus dat zou heel veel geld aan brandstof besparen.

“Mmm… interessant.”

Op één of andere manier had ik net behoorlijk wat geld gekregen en ik
bedacht me ineens: Verdomd, ik zou de auto best eigenlijk best kunnen betalen! Toen hij ook
de termen ‘wegenbelastingvrij’ en ‘goedkope oldtimerverzekering’ liet vallen, was ik eigenlijk
al om. Dit was hélémaal geen belachelijke dure auto. Dit was een auto waar ik juist geld mee
zou kunnen besparen! En wat helemaal mooi was…. deze auto was natuurlijk de ultieme
meisjesmagneet! Want welke jongen jongen heeft nou zo’n auto?

We maakten een afspraak. De man zou de volgende dag naar de auto komen, zodat ik een
proefrit kon maken. Toen die dag was eenmaal aangebroken, en ik inderdaad in de Citroen DS
zat, werd mijn enthousiasme voor deze dame alleen maar groter. Ik zwééfde over de weg,
volkomen gedragen door dat revolutionaire luchtvering systeem, gezeten op een ietwat
versleten sky-leren bestuurdersstoel. Ik moest wel even wennen aan de vreemde manier van
schakelen. Dit gebeurde niet zoals dat normaal ging, met zo’n pook tussen de twee
voorstoelen. Nee, hier zat de koppeling, een massief ijzeren hendel met een mooie gladde
knop, rechts naast je stuur; waar in andere auto’s normaal je lichten of ruitewisserhendel
zaten. Ik moest trouwens ook wennen aan het feit dat ik deze auto waarschijnlijk nog
werkelijk ging kopen ook. Het was zó’n verstandsverbijsterende ervaring om niets anders dan
een tank (bijna 1400 kilo en bijna 5 meter lang!!!) door de straten te rijden, maar wel een die
door de stuurbekrachtiging (dat had mijn eerste auto nog niet eens) aanvoelde alsof het slechts
een kinderboodschappenkarretje betrof.

Eén klein dingetje weerhield me nog: ik wilde haar
wel eerst laten keuren om te kijken of ze door de APK-keuring kwam. En dat kwam ze niet.
Op een puntje na: in de bodem was een rotte plek die gelast moest worden. Maar als dat
gedaan zou zijn, zou ze zeker door de keuring komen. Ik heb haar uiteindelijk zelfs nog voor
het laswerk gedaan was, gekocht. 1650 euro heb ik ervoor betaald. Ik kon nog wat van de
vraagprijs van 1800 afpingelen vanwege de kosten die ik zou moeten maken voor het lassen,
iets dat nog 750 euro kostte. Maar toen ik eenmaal de pinautomaat had leeggetrokken en de
rest van het geld was voorgeschoten (je mocht maar 1000 euro per dag uit de pinautomaat
halen) was het een kwestie van uitwisseling van sleutels en geld, waarna ze van mij was. Mijn
eigen oude dame, de koningin van de snelweg. Ik nog maar een heel klein probleemje: ik had
ook de witte Mazda nog.Die verkocht ik niet lang daarna voor 225 euro, aan de zus van ( hoe
toevallig) mijn fruitboomleraar.

Ik had hier graag willen beweren dat ik de periode met de
Mazda toen had gesloten zonder dat ik een ongelukje had gehad, maar dat zou niet de
waarheid zijn. Een keer, schampte ik bij het verlaten van de parkeerplaats tijdens het
uitdraaien met mijn voorbumper tegen de achterkant van de auto van de buurjongen van de
kennis waar ik op dat moment op bezoek was. Helaas zag hij me blijkbaar vanuit het huis en
hierdoor viel mijn plan om al rijdend nog eens goed na te denken of ik hem wel wat van het
ongelukje zou zeggen, in duigen. De jongen stormde de deur uit en ging pal voor mijn auto
staan. Hij was behoorlijk agressief en omdat ik eigenlijk wel wist dat de periode van dat
overdenken hoogst waarschijnlijk nadelig voor hem uitgevallen zou zijn, gaf ik hem eigenlijk
geen ongelijk. Wat ik hem wel kwalijk nam, was dat hij in zijn razernij mijn rij-ijzer
consequent aanduidde met ‘die roestbak ‘ . Want dat was wel bezijden de waarheid.

Goed, terug naar mijn Citroen Ds.

Na een paar dagen rijden vertoonde zij reeds haar eerste kuren.
Ik kon haar niet goed starten als ze op de gasstand stond. Starten ging eigenlijk alleen
goed als ze op de benzinestand stond. En het viel me op dat ze, als ik dan eenmaal van
benzine naar gas was overgeschakeld, dat ze op gas toch ook af en toe pruttelde. Toch belde ik
in diezelfde dagen, trots als een pauw, mijn vader op: ook een groot autoliefhebber. Bij de
woorden ‘Citroen DS’ hoorde ik mijn vader een geluid produceren dat nou niet echt positief
klonk: een soort mengeling van gereutel en een zwaar stokkende adem.

“Mooi he, Pa?”zei ik nog.
-“Jezus, Berend , riep mijn vader door de telefoon, ik hoop dat je een boel geld tot je
beschikking hebt, want wat je nú hebt gekocht is een niets anders dan een omgekeerde
spaarpot.”

“Een wat?”

-“Een omgekeerde spaarpot, iets dat je alleen maar geld gaat kosten. …. en wel tot in
lengte van dagen.”

“Eh.. wat bedoel je precies pa, vroeg ik nu toch wat onzeker geworden.

-“Heb jij verstand van auto’s, vroeg mijn vader fel?”

“Eh.. nee, pa, maar dat weet je toch….”?

-“ Nou dan, dan heb je al hélémáál geen verstand van een Citroen DS. Ergo … je kan dus
helemaal NIETS zelf doen, je zal dus voor het minste en geringste wissewasje naar een
garage moeten gaan. En laat ik je vertellen, die zijn ook niet gek op Citroen DS… , dus je
bent altijd veel geld kwijt…”

“Maar Pa, probeerde ik nog, het is een oldtimer, dat betekent dat ik geen wegenbelasting
hoef….”

-Precies, huilde mijn vader nu bijna; je zeg het zelf : OLDTIMER. Weet je wat dat betekent,
Berend? Oldtimer betekent dat ze elk moment op de meest vreemde manieren uit of in elkaar
kan vallen! Weet je wel wat het kost om die onderdelen te bestellen? “

“Eh, nou , nee, daar heb ik eigenlijk nog niet zo goed over nagedac……”

“-NEE, schreeuwde mijn vader nu , natúúrlijk heb je daar niet over nagedacht….. zoals je
nóóit nadenkt voordat je iets doet! Waarom heb je me niet gebeld? Dan had ik dat
waanzinnige idee van die DS nog uit dat botte hoofd van je kunnen praten!”

Ik had inmiddels de telefoon wat verder van mijn oor gehouden en wachtte geduldig totdat
de storm aan harde woorden was gaan liggen. Toen ik het weer windstil achtte, gaf ik met iets
van tegenzin toe:

“Tja, misschien had ik je inderdaad even moeten bellen. Ik pauzeerde even om toch nog
enigszins positiefs over de auto te bedenken. Met een piepstem zei ik: Maar afgezien van die
eventuele nadelen dan, je moet toch toegeven dat het een mooie auto is? Of niet?”

-“ O Berend, sprak mijn vader zacht, bijna als een profetische bezwering. “ Er komt een tijd dat
je dat ding liever kwijt dan rijk bent…. En mark mywords…. Dan ben je hem wel kwijt maar
rijk ben je niet meer.”

Afijn, om een lang gesprek kort te houden; mijn vader was overduidelijk geen DS fan, iets
dat ik toch in bijzonder korte tijd wel geworden was. Toen ik een korte tijd na ons gesprek
naar hem toe reed, merkte ik dat hij mijn auto, ondanks al zijn bezwaren, stiekem toch wel
bewonderde. Het was al donker toen ik bij zijn huis arriveerde. In het licht van een
lantaarnpaal liep hij langs mijn auto en betaste teder de rondingen die ik ook al zo had leren
liefhebben. Bij de motorkap aangekomen zei hij: doe hem eens open , en ik deed wat hij me
vroeg. Ik zag een wat dommige uitdrukking op zijn gezicht verschijnen. Laag hangend boven
het motorblok mompelde hij:

“Tja, het is overduidelijk geen Eend.” U moet weten dat niet
alleen zijn vervoersmiddel destijds een Citroen Deux Chevaux was, ook zijn allereerste
rijjaren beleefde hij met een dergelijke auto. Hoe vaak had ik wel niet moeten aanhoren dat hij
samen met zijn broer de hobby had opgevat de motor van hun eend blind in- en uit elkaar te
halen ? Hoe vaak had ik niet gelachen om dat verhaal waarin hij vertelde dat een bepaalde reis
naar Groningen enkel afgelegd kon worden terwijl twee mensen handmatig voorkwamen dat
de bodem van de Eend, achterbleef vanwaar ze ook vertrokken waren? Na een tijdje glazig
naar het hart van de DS gestaard te hebben gestaard, wist hij me niets anders mee te geven,
dat ik niet moest vergeten ‘ die groene vloeistof’ regelmatig bij te vullen. Voor het luchtvering
systeem, zei hij, maar dat wist ik al wel. Snel sloot hij daarna de motorkap, rilde even en zei:
nou jongen, ik wens je er veel geluk mee. Heel.Veel. Geluk..

En in het begin beleefde ik ook heel wat gelukkige momenten met de auto. De auto (en ik
dus ook) viel op. Tijdens het rijden kreeg ik regelmatig bijna-ongelukken door het veelvuldig
flikkeren van het grootlicht door tegemoet rijdende auto’s. Weliswaar bedoeld als enthousiaste
groet natuurlijk, maar ook levensgevaarlijk. Andere keren zag ik ,bij het passeren van andere
weggebruikers, omhooggestoken duimen, meestal door grijsaards waarvan ik aannam dat ze
zelf ook een dergelijke auto hadden bezeten. Maar soms zag ik ook andere jongemannen, die
er meestal net zo vrijgevochten uitzagen als ikzelf, een duimpje opsteken . En hoe leuk was
het niet regelmatig kinderen, meestal op de achterbank van een voor me rijdende auto,
enthousiast naar mij en mijn auto te zien zwaaien? Mijn uitgebluste fotomodel en ik genoten
er ten volle van, want hoewel we beiden al flink geleefd hadden en daardoor toch wel een
eigen persoonlijkheid hadden opgebouwd, toch hadden we beiden ook nog steeds behoefte
aan die voedende aandacht.

In mijn hart groeide steeds meer het verlangen om dat uitgebluste aspect van mijn auto weg
te nemen. Was ik niet verplicht, net als ieder andere oldtimer bezitter zou doen, haar in volle
glorie te herstellen? Ik wist dat ‘volle glorie’ betekende dat ik haar ooit van een nieuwe laklaag
zou moeten voorzien. Maar dat was iets dat ik even nog niet kon betalen. Wat ik wel kon
doen, was zoeken naar een nieuwe, niet ingedeukte achterdeur om tenminste die deformatie
uit haar prachtige lijnen weg te nemen. En ik vond er één: op het internet. Ook al was de
bruine kleur een slag lichter dan de rest van de auto, toch viel dat van veraf niet op. Toen de
deur eenmaal liefdevol opgenomen was in het lichaam van mijn auto, vond ik het tijd om de
binnenbekleding aan te pakken en wel eerst met de achterbank. De achterbank was precies in
het midden in tweeën gescheurd en het leer zou niet zonder meer bij elkaar genomen kon
worden. Er moest echt een stoffeerder aan te pas komen. In Driebergen (provincie Utrecht)
vond ik er een. Nadat ik hem het probleem had aangewezen wachtte ik op de beantwoording
van mijn net aan hem gestelde vraag: Hoeveel gaat dat ongeveer kosten? Van het antwoord
schrok mijn portefeuille dusdanig dat hij bewegingen begon te maken die leken te duiden op
de wens te willen te verhuizen van kontzak richting bilspleet. Ik besloot mijn immer
succesvolle afpingeltechniek in te zetten. Blijkbaar zag de stoffeerde al aan mijn lichaamstaal
dat ik wilde gaan afdingen. Nog voordat ik mijn twee handen dramatisch ten hemel kon
heffen en nog voordat ik zelfs nog maar een begin had gemaakt mijn ogen dezelfde richting te
slaan, kapte de stoffeerder mij al af. Resoluut, kort en vooral… bot.

“-80 euro, als niet meer, en daar blijft het bij. Als het je niet bevalt, dan neem je je DS maar
weer mee richting huis.Je staat hier godverdomme niet op de markt! “

Geschrokken keek ik in het, waarschijnlijk door lijmdampen, ingevallen gezicht van de
stoffeerder en ik denk dat het naast angst, toch ook mijn pijlsnelle redenatievermogen moet
zijn geweest waardoor ik eigenlijk toch meteen met de prijs akkoord ging. Ik redeneerde
namelijk als volgt: Als hij potentiële klanten zo bot behandelde, dan had die klanten blijkbaar
niet nodig. En als hij geen klanten nodig had, dan had hij er waarschijnlijk genoeg van. En als
hij genoeg klanten had, dan moest hij wel goed zijn in zijn vak!

Een week later kon ik de bank weer ophalen. De stoffeerder had in het midden van de bank
een beige stuk skyleer genaaid. Precies naar mijn wens, want zo’n streep, afstekend tegen het
nog net niet donkerbruine leer, stond zo sportief, vond ik. Het was allemaal heel goed
afgewerkt: de naden van de zijkant van het beige stuk skyleer, gingen feilloos over in de
naden van de andere groeven van de bank. Ik bedankte de stoffeerden dan ook oprecht en gaf
hem zijn geld.

” Tot de volgende keer “, loog ik, want ik wist dat ik niet meer bij hem terug zou komen. Niet
alleen omdat ik nu eenmaal een bloedhekel heb aan onaardige mensen, ook omdat ik vast van
plan was om zelf te leren naaien. Als dat mislukte, dan was optie twee om een goedkopere
stoffeerder te zoeken. Dit soort bedragen kon ik namelijk niet eindeloos ophoesten.
Het volgende dat ik mijn auto gunde, moet wel het goedkoopste zijn geweest van alle
ingrepen waarmee ik mijn auto richting nieuw staat trachtte te brengen. Het hemeldak, beter
gezegd: de bekleding aan de binnenkant van mijn autodak. Een raar indrukbaar grijs-wit
schuim dat het gehele dak omspande en waarschijnlijk ook een enigszins isolerende functie
moest vervullen. Hier en daar vertoonde de bekleding wat putjes. Waarschijnlijk had ooit een
verveeld en daardoor vervelend Frans jongetje op de achterbank met zijn kleine vieze
vingertjes in het dakschuim lopen punniken. Wat weerhield mij om het schuim een
metamorfose te geven door het te bewerken met een roller, een verfkwast en wat acrylaatverf?
Niets, en daarom plakte ik op een goede dag de gehele binnenkant van de auto af met een
plastic zeil. Vervolgens rolde ik de grote delen van het dak met de roller, en de zijkanten en de
hoeken bewerkte ik met de verfkwast. Alles in een mooie lichtbeige verf. Achteraf had ik in
plaats van een hoogglansverf misschien beter een zijdeglans verf kunnen gebruiken, maar het
was echt een kniesoor die daar op zou letten. Het resultaat mocht er zijn: een grote glanzende
woestijn recht boven mijn hoofd!

Wat zeker ook een gelukkig, maar vooral ook een eervol moment was, was het moment toen
de leraren van mijn bio-school mij vroegen of ik Sinterklaas bij de school wilde afleveren.
Natuurlijk wilde ik dat! Niets leukers dan de goedheiligman luid toeterend in een auto
behangen met vlaggetjes in de meest uiteenlopende kleuren, te midden van allerlei blowende,
naar paardemest stinkende en elkaar bezwangerende boerenjongens en meisjes te droppen. De
mindere gelukkige momenten met mijn auto begonnen eigenlijk pas toen ik, na een mislukte
boerenstage in Lelystad, moest uitwijken naar Engeland waar ik de rest van de stageperiode
moest afmaken. Om één of andere duistere reden bedacht ik dat het misschien wel leuk was
om daar met de DS naar toe te rijden. Duister, want de feiten waren dat de DS nog steeds af
en toe pruttelde wanneer ik op gas reed. En wat ook steeds frequenter gebeurde, was dat zij
niet meer wilde starten: niet op de gasstand zoals ik al eerder had ondervonden , maar ook
steeds vaker niet op de benzinestand. Nog veel later, maar nu loop ik vooruit op het verhaal,
hing de bereidwilligheid van mijn dame om te starten, meer af van de intensiteit van mijn
gebeden richting de God waarvan ik maar gevoeglijk aannam dat hij ook alle automobiel
issues behartigde , dan van welke stand zij op dat moment stond. Laat ik het anders
samenvatten: op een gegeven moment kon ik met de mensen alleen nog afspraken maken als
ik mijn woorden liet volgen door het zinnetje: “ Als mijn auto tenminste wil starten…”

Engeland dus. Here i (and my froggy car) come! Ik geloof dat ik bij Hoek van Holland ben
opgestapt, maar helemaal zeker weten doe ik dit niet. Wat ik wel nog heel goed weet is dat ik
bij het verlaten van de boot de verkeerde richting opreed. Ik kwam op een plek terecht waar ik
minstens een amfibievoertuig zou moeten bezitten om het vaste land te bereiken. Nadat ik na
hevig zoeken vervolgens in een vrachtwagenrij terechtkwam die mij door al hun af te
handelen papierwerk, veel te langzaam vorderde, besloot ik toch de hulp van een in een geel
uniform gestoken meneer in te roepen. Dát had ik beter niet kunnen doen. Achteraf gezien had
ik qua snelheid véél beter in de vrachtwagenrij kunnen blijven zitten. Want zodra ik hem
vroeg :

“Where can i drive to, in order toleave this boat,” had ik de aandacht getrokken. En dit
keer was het, in tegenstelling tot wat ik gewend was, geen positieve aandacht. Maar het
gesprekje begon wel als gewoonlijk:

-”Nice car!”

“ Aha, thankyou, glunderde ik.

-”Yours? “

-”Yep”…. zei ik trots.

-“Where you from”?

-“From Holland”.

-‘Holland?”, papegaaide de gele kanariematroosbeambte me enthousiast na.

Hij keek even over zijn schouder naar wat soortgenoten en na een korte uitwisseling zonder
hoorbare woorden, kwam zijn gezicht wat dichter bij mijn geopende raam. “

“Park your car over there and step out,please.”

”Excuse me ?”

“I SAID, park your vehicle over there and step out… RIGHT NOW, please!”

Nou moe, wat krijgen we nou, dacht ik nog. Maar ik deed maar wat me gezegd werd en even
later stond ik naast mijn oude dame.

“From Holland, right”, vroeg de man in het geel me, nadat hij op me was toegelopen

“Eh… Yes, nog steeds….”

“Any drugs in the vehicle”?

Drugs? Ik begon te lachen…. nee joh, no drugs, absolutely no drugs.

“So you are not a drugsdealer?”

O vandaar!

“No no no sir, no drugsdealer, no siree, Bob.”

“But it is a nice car, hield de man vol, looks expensive.”

“Yeah, but het valt wel mee hoor, i didn’t have to sell drugs to be able to buy it, if that is what
you mean.”

“Mmm, well, w’ll see that soon enough.”

De gele matroos waarvan ik steeds meer het idee kreeg dat hij toch eerder iets met de
douane dan met de boot zelf te maken had, keek om en ik keek over zijn schouder mee waar
hij naar keek. Hetzelfde groepje waar hij net zonder woorden had gecommuniceerd , kwam nu
in één blok op ons afgelopen. Het waren vier mensen,twee mannnen, twee vrouwen en ook
nog twee herdershonden. Behalve de honden, allemaal in het geel.

“Any objection if we search your car?” glimlachte de oorspronkelijk kanariepiet poeslief?

“Eh….. nou, als je het echt weten wilt, als jullie allemaal met je gore poten in mijn mooie auto
gaan zitten wroeten, zou ik dat toch zien als een beetje een gangbang verkrachting van mijn
edele dame.” Maar ik zei wat anders:

“No sir…. absolutely no objection” Go your gang!”

En als een troep hongerige wolven doken ze mijn auto in; zijpanelen werden losgeschroefd,
de net zo mooi herstelde bank werd er wederom uitgehaald, voetenmatjes werden opgelicht,
kastjes werden opengedaan, koffers werden uit mijn auto gehaald en overhoop gehaald. Zelfs
de voorstoelen moesten er aan geloven; die stonden op een gegeven moment naast mij op de
koude nattige asfaltweg, dat in dit geval geen weg was maar een bootdek. Teleurgesteld
doordat ze niet 1,2,3 iets konden vinden, verlegden ze vervolgens hun aandacht op de
buitenkant van de auto. Op een gegeven moment lag één man onder de auto met een
zaklantaarn. De andere man beklopte intussen met zijn gore poten het plaatwerk van mijn
auto. De twee vrouwen hanteerden allebei een stang met spiegeltjes en zochten op deze wijze
ook onder de auto .Dat terwijl de twee honden met hun slijmerige neuzen de bank en de
stoelen besnuffelden. Allemaal op zoek naar iets wat er niet lag. Na een uur zoeken, terwijl ik
al die tijd zo vertrouwenwekkend mogelijk heen en weer geijsbeerd had, kwamen zij ook tot
de conclusie dat wat zij ook zochten, dat dat niet in, op, of onder mijn auto lag. Natuurlijk was
ik ook al volledig gefouilleerd dus op een gegeven moment stonden ze daar maar, een beetje
werkeloos naar elkaar te staren.

“Yes?” zei ik op vragende toon…. en now?”

“Well, we couldn’t find any drugs, so you are free to go….”

Ik explodeerde.

“Well thats’ bloody fucking kind of you, but in order to drive my car
away from this boat out of hell, wouldn’t you agree that at least a seat to sit on is quite essential in order to do just that.? In other words. Can you spare me some of your precious time to put my car back
together please?”

Met veel tegenzin kwam de troep weer in beweging, en na nog een uur heen en weer lopen,
dit keer flink kwaad, was alles, behalve de overhoop gehaalde koffers, weer zoals het ooit
was.

Dat was mijn eerste kennismaking met Engeland. Althans, de eerste kennismaking dan terwijl
ik in het bezit van mijn DS was. Nog veel meer rampspoed voor mij, mijn DS, en nog vele
andere mensen in Engeland zou volgen.

Engeland bleek prachtig. Maar dat zag ik pas toen ik er een tijdje was. Voordat ik me kon
melden bij een biologische boer in het dorpje Cusgarne, nabij de stad Truro, een grote plaats
in Cornwall, moest ik nog wel heel wat kilometers overbruggen. Ik moest wel even wennen
aan het links rijden, maar afgezien van een paar keer op de verkeerde kant de weg opdraaien –
waarna ik natuurlijk door een vreselijke scheldclaxonnade gecorrigeerd werd – ging het
eigenlijk als vanzelf. Ik had twee dagen uitgetrokken om bij boer te komen. Ergens zou ik dus
een nacht moeten overnachten. Ik besloot dat gewoon in de auto te doen. Bestuurdersstoel
naar beneden, deken over me heen: het ging prima én het was tenminste goedkoop. Het viel
me op dat naarmate ik dichterbij Cornwall kwam het landschap steeds glooiender en groener
werd. Rijden in de DS was sowieso al een hemelse ervaring, maar met het beklimmen van al
die bergen, kreeg de luchtvering nog een warmer plekje in mijn hart. Op een gegeven
moment, na heel wat zoekwerk, vond ik dan eindelijk de boer. Een leerling die ook op het
bedrijf was en die mij in mijn stage zou gaan begeleiden had me van te voren gezegd: je weet
dat je er bent, als je denkt dat je op een vuilnisbelt terecht bent gekomen. Hij had geen woord
teveel gezegd. Toen ik na lang zoeken in het desbetreffende dorp, aan de kant van een smal
landweggetje eindelijk een bordje zag met het woord Organic Farm, reed ik het terrein op:
overal lagen autobanden, vergane en verroeste landbouwapparatuur, stukken plastic zeil en
zelfs ingestorte schuren. Het was zo erg dat ik, nadat ik mij aan de boer had voorgesteld, ik er
voor de grap iets van zei. Had ik ook niet moeten doen, want de slimmerik, blijkbaar in het
leger gezeten, bevorderde me ter plekke tot ‘Mr Tidy up officer’, waarmee ik meteen een
inkijkje had gekregen wat mijn voornaamste taak zou zijn in de drie maanden stagelopen.
Maar mijn wraak op hem zou zoet zijn, weliswaar niet met opzet uitgevoerd, maar
toch…mierzoet.

Na een dagje acclimatiseren, ving de stageperiode dan echt aan. Ik stapte in een wereld
waarin cauliflowers (bloemkool), red cabbages (rooie kool), cucumbers (komkommers, strawberries (aardbeien) potatoes (aardappelen) en Okra (geen idee meer) de belangrijkste
levende dingen op aarde waren. De werkzaamheden in het praktijkgedeelte van de stage
waren simpel: planten water geven, wieden van onkruid, planten planten en uiteindelijk ook
planten oogsten. Ook werden op het bedrijf nog wat koeien en een enkele stier gehouden,
maar deze beesten hadden niet echt mijn interesse, omdat ik destijds streng veganist was. Zo
streng dat toen de stageboer bij het in een vrachtwagen drijven van een te slachten koe, een
keer zijn pols brak, ik dat in mijn hoofd zonder blikken of blozen toeschreef aan zijn
negatieve karma. Whatgoesaround, comesaround zouden de Engelsen zelf zeggen. Maar
afgezien van het gevangen houden van koeien om ze als ze mals en dik waren te slachten,
vond ik de stageboer een prima vent. Erg beleefd, altijd geïnteresseerd en redelijk stabiel in
zijn vrolijke humeur.

Dat laatste veranderde al behoorlijk toen ik een keer, na een dag hard
werken in het veld, op een berg de tractor moest parkeren. De tractor mocht daar blijven staan
want de volgende morgen zou er op ongeveer dezelfde plek weer iets mee gedaan moeten
worden. Mijn stagebegeleider was al eerder vertrokken en had mij de opdracht gegeven nog
een laatste rondje te eggen. Ik deed wat hij mij opdroeg, liet de eg na het gedane werk, keurig
met behulp van dat hydraulische gedoe zakken, trok de handrem aan, en draaide de sleutel in
zo’n stand dat de accu niet zou leeglopen .Uit, maar de sleutel er nog wel in. Die avond
heerlijk eten gemaakt, gekaart en gedronken (toepen was een geliefd spel) en naar mijn eigen
houten hutje gegaan om te slapen. Nog even wat gelezen bij het licht van kaarsen en daarna
heerlijk gaan slapen, waarschijnlijk dromend van een wereld waarin de mensen hun dieren
niet doodden of anders, ze van hun melk beroofden. De volgende vroeg opgestaan . Vijf uur
was daar geen zeldzaamheid. Waarschijnlijk heb ik ook nog gerekt en gestrekt ( bijhet
veganisme hoort natuurlijk ook Yoga) .Daarna liep ik het paadje af dat naar mijn huisje liep,
op weg naar een nieuwe dag in de grote velden vol groente-eten. Toen ik eenmaal op zo’n
groot veld was aangekomen, keek ik links omhoog, naar de berg.Tot mijn verbijstering zag ik
dat de tractor niet meer aanwezig was op de plek waar ik hem de vorige avond in de
schemering had geparkeerd. Dieven, dacht ik onmiddellijk, en meteen keek ik wantrouwend
om me heen. Dat schichtige heen en weer gekijk, stopte al meteen bij ‘weer’ , want rechts,
onderaan de berg, zag ik ineens de achterkant van de tractor. En ik zag nog wat, maar dan
direct achter de tractor: Het busje waarin de stageboer en zijn vrouw altijd hun groenten en
vlees mee naar klanten bracht. Even twijfelde ik aan de helderheid van mijn verstand die
morgen. Wist ik wel zeker dat ik die tractor op de berg had geparkeerd en niet onderaan de
berg? En die bus, waar kwam die nou ineens vandaan? En welke idioot parkeerde die bus nou
zo dichtbij de tractor? Ik besloot de hele toestand eens van wat dichterbij te bekijken. Wat er
zich met elke stap die ik dichterbij kwam, aan mijn ogen ontvouwde , was zeker niet fraai.
Tot mijn afschuw zag ik dat de verder geheel witte bus, ondanks het licht van de morgenzon
op twee bepaalde plaatsen nogal een zwarte schaduw vertoonden. En die twee plaatsen leken
warempel ook wat dieper te liggen dan de rest van het plaatwerk. Op een gegeven moment
drong de verschrikkelijk waarheid pas echt tot me door. Dat was pas toen ik nog maar een
paar meter van de tractor af was. Het was zo absurd wat er gebeurd bleek te zijn, dat ik dat
onmogelijk van een verdere afstand had kunnen herkennen. Ik bevond mij mentaal in dezelfde
staat als de indianen in dat verhaal waarin gesteld wordt dat de zij bij de aankomst van
Columbus, niet de schepen als schepen konden herkennen omdat ze in hun hoofd enkel kano’s
als referentiepunt hadden. Daardoor zagen ze hun overweldigers pas konden zien toen ze in
het ondiepe zeewater waren uitgestapt.

Wat was er nu gebeurd?

Om een of andere reden – hoe precies dat wist ik dat op dat moment nog niet- had de tractor
zich met zijn lepels (twee naar voren stekende massieve stukken staal die ze tussen het hout
van pallets steken om deze op te kunnen tillen) zich in de zijkant van het groente busje
geboord. Het was een toestand waarvan ik wel zeker wist dat die mijn toenmalige kennis van
de bio boererij ver oversteeg, en ik besloot daarom mijn stagebegeleider maar in te lichten. Ik
maakte hem wakker en vertelde dat er iets verschrikkelijks was gebeurd.

“Wat dan?” vroeg hij met een slaperig hoofd.
“Geen idee”, zei ik naar waarheid, maar …en ik probeerde de juiste woorden te vinden, “maar het
is waarschijnlijk wel iets waardoor onze bioboer waarschijnlijk met iets minder
zelfvertrouwen zijn groente en vlees zal afleveren….”

Hij schoot wat kleren aan en liep vloekend met me mee. Eenmaal buiten kwam op een
gegeven moment de innige omhelzing van tractor en bus ook op zíjn netvlies terecht ,
waardoor hij nog veel begon te vloeken, weliswaar afgewisseld met langaangehouden
aanroepingen van de naam van de zoon van God (Jezus).

“Dit gaat Gregory (zo heette de bioboer) niet leuk vinden, zei mijn stagebegeleider, toen we
eenmaal bij de plek des onheils waren aangekomen.

“Ik had al zo’n beetje zo’n idee” zei ik schuldbewust.

“Hoe kan die tractor nou naar beneden zijn geschoven? Heb je de koppeling wel in zijn twee
gezet?”

“Koppeling?”

Ik krabbelde even op mijn hoofd.

“Nee, dat dacht ik niet, Maar daar heb je toch de handrem voor?”

“De handrem zegt ie, riep mijn stagebegeleider uit,Man, die handrem die werkt bijna niet
meer. Hoe kan je nou zoiets stoms doen.?”

“Ja Jezus!” protesteerde ik. Hoe moest ik dat nou weten. Al die tijd had ik al iets van een excuus
proberen te vinden, en nu dacht ik er een gevonden had.Wat kon ik eraan doen dat die
handrem niet werkte!

Waarom was me dat niet even van tevoren gezegd? Moet ik zo een goeie bioboer worden?
Met zo weinig begeleidende info en zulke shit tractors waarvan niet eens de handrem werkt?
Man, schamperde mijn stagebegeleider mijn protest weg , je moest de tractor op een berg
parkeren,hoor! Iedere boerenlul weet dat je dan ook de koppeling moet gebruiken om te
voorkomen dat hij naar beneden rolt.

Omdat ik niets anders meer wist in te brengen, haalde ik maar mijn schouders op. Blijkbaar
was ik dan toch meer een lul dan een boerenlul want ik wist dan toevallig niet dat men in de
boerenbusiness de koppeling gebruikt om te voorkomen dat tractors hun weg naar beneden
proberen te vinden.

Maar waar kwam dat busje dan ineens vandaan, vroeg ik, in een poging de aandacht van die
vervloekte tractor af te leiden.

“Geen idee. Maar we zullen het wel horen als we het aan Gregory vertellen.”

“Eh ja…..” dat moest natuurlijk ook nog.

Tezamen liepen we naar zijn huis, dat nog iets verder onderaan de berg gelegen lag. De tijd
dat die wandeling duurde, duurde mij veel te kort, natuurlijk nog versneld door dezelfde
vervelende natuurwet als welke mijn tractor parten had gespeeld.

Gregory was, om maar weer eens een Engelse uitdrukking te gebruiken, ‘not amused’.
Het bleek dat hijzelf diegene was geweest die zo stom was geweest te denken dat hij het
groentenbusje, na een lange dag van bezorgingen aan klanten, wel veilig onder aan de berg
had kunnen zetten. Ja, inderdaad, superstom! Want wat dacht hij nu eigenlijk wel? Hij wist
toch wel dat Berend ‘in tha house’ was? Misschien had iemand hem voor mijn komst even moeten inlichten dat waar ik kom, statistisch een grotere kans op rampen ontstaat…

Maar het viel me nog mee hoe hij op het slechte nieuws reageerde. Hij slikte een paar keer,
behield manhaftig zijn ‘ stiff upper lip’ en ging na een paar schouderophalingen (die naar ik
meende eerder uit wanhoop geboren werden dan uit desinteresse), over tot de normale
routine van de dag.

De dagen erna sprak hij niet meer over wat er voorgevallen was. Maar
sowieso sprak hij daarna minder met me. Het één had ongetwijfeld met het andere te maken,
dacht ik toen al wel, maar ondanks alles bleef het een keurige Engelsman. Een man die
gewoon en nog op normale toon ook, antwoordde als je hem, in een poging om de banden
weer wat aan te trekken, puur voor de vorm een bio-boer-technische vraag stelde.

De dagen kabbelden voorbij. Het groepje mensen waar ik mee moest samenwerken, bleek
een leuke clubje, af en toe veranderend doordat er soms wel eens een student bij kwam die
dan later weer vertrok. Zo werkten op een gegeven moment naast de Nederlanders,ook drie
Fransen, een Oostenrijkse en een Israëliër mee op het bedrijf. De laatste nam trouwens snel
weer de benen omdat hij totaal niet met de Oostenrijkse overweg kon, iets dat ik later pas kon
begrijpen doordat ik zelf flinke mot met haar had gekregen.Behalve de Nederlanders, die echt
bezig waren met een landbouwstudie,studeerden alle studenten in iets landschapsachtig. Noem
het plattelandsvernieuwing of noem het landschapsarchitectuur. Feit is dat ze door de boer
gewoon als volwaardige werkkrachten werden ingezet om tijdens hun zogenaamde
studieverblijf, hun voedsel en logies te verdienen. Het was een mij reeds bekende truc. Nu ik
wel zo’n beetje genezen ben van het boerenleven, kan ik wel zeggen dat ook ik, tijdens mijn
eigen studie dan, heb ervaren dat bijna alle boeren,onder het mom van stage, studie of
praktijk, voornamelijk geïnteresseerd waren in de goedkope arbeidskracht die je daarbij kon
aanleveren. Al hun smoesjes van “Begeleiden kost ook tijd” , en “Weet je wel hoe vaak
studenten/stagiaires dingen kapotmaken? ’ ten spijt (al is dat toevallig in mijn geval inderdaad het geval geweest) .

In het weekend gingen we meestal met het hele gezelschap naar de pub, de Engelse naam voor café. Ik greep die tripjes altijd aan om mijn DS weer eens aan het werk te zetten, want in de werkweek zelf, stond zij voornamelijk
stil. Zo rond de derde keer dat we naar een pub gingen, ervoer ik voor het eerst dat mijn DS
wat meer moeite kreeg om die, toch niet zo heel hoge,bergen te beklimmen. Bij de eerste paar
bergen ging het nog wel, maar eenmaal op de terugweg, dacht ik in het zicht van een wat
grotere berg: ik geloof niet dat zij deze nog gaat halen. En inderdaad, ze haalde het inderdaad
niet.! Mijn passagiers moesten uitstappen om mij en mijn auto over de berg te duwen. Dit
ritueel herhaalde zich nog een paar bergen (passagiers eruit,berg overwinnen, passagiers er
weer in) totdat we uiteindelijk weer thuis waren. De berg af was steeds prima gegaan en ook
op de vlakke stukken had ze steeds weinig moeite gehad. Maar de berg op, hoe klein die ook
was, dat kon ik in het vervolg wel op mijn buik schrijven. Er was dus iets mis.Zelf had ik
absoluut geen idee wat er precies mis was, aangezien mijn technische kennis van een auto
destijds niet veel verder reikte dan dat ik wist waar ik de sleutel in moest steken om de auto
te laten starten.Nu is die kennis gelukkig wel iets groter, maar toen was er zogezegd gewoon
géén kennis. Dus moest ik maar eens om me heen gaan vragen.De bioboer was toevallig het
meest dichtbij. Ik beschreef hem het probleem (voor de zekerheid legde ik in mijn verhaal
steeds de klemtoon op ‘MY car’ om de herinnering aan zijn busje niet op te doen leven) en toen
ik eenmaal klaar was zei hij zonder een spoortje twijfel;

“It must be the clutch”.

“The clutch…. Ach ja, natuurlijk!” zei ik maar, maar in werkelijkheid had ik geen idee wie of wat of dat
was.

Verder vragen leverde me een heel pantomime aan vliegwielen, krukassen en
koppelingsplaten op. De koppelingsplaat was volgens hem versleten en dat zou de reden zijn dat mijn oude dame
geen bergen meer kon beklimmen. Nou, daar was ik dan lekker mee. Zelf repareren was nu
eenmaal geen optie en daarom belde ik in mijn spaarzame vrije tijd wat garages op.
Sommigen gooiden de hoorn al reeds op de haak toen ze alleen het woord ‘Citroen’ hoorde
(de Engelse haat tegen de Fransen en zeker tegen hun auto’s zit nogal diep), en anderen
deden dat pas na een tijdje omdat ze geen idee hadden waar ik het over had. Dit kwam
misschien omdat ik de koppeling consequent ‘the chuckle’ (dat naar ik achteraf pas begreep,
grinniken bleek te betekenen) bleef noemen, in plaats van de ‘clutch’. Omdat ik na het derde
gesprek toch wel begon aan te voelen dat ik misschien niet het juiste woordbezigde, probeerde
ik het ook met ‘chucky’, the ‘cluster’ en ‘the custard’ Talloze pogingen faalden jammerlijk.

De conclusie na mijn zesde telefoontje was : aan mijn auto wilde men niet beginnen,
want te oud, te Frans, te onbekend en dus te moeilijk , of ze wilden me maar (of konden me)
gewoonweg niet begrijpen. Daarom begon ik uit pure wanhoop dit keer gericht in het
telefoonboek te zoeken: een Citroendealer moest ik zien te vinden. Zíj zouden toch mijn
geblesseerde geliefde toch niet zo haten als al die andere garages dat bleken te doen? Bij mijn
telefonisch overgebrachte woorden als ‘mountain’ , car en ‘not being able to conquer these
bastards’ trokken de garagisten bij de citroendealer uiteindelijk dezelfde conclusie als die
mijn bioboer had getrokken en meteen hoorde ik ook weer het juiste woord: clutch.

“Ja, precies ja, de clutch!

Blij dat eindelijk iemand me eens begreep, drukte ik door.

“So, what do you reckon? Can I come by with my car…and will you be able to fix it?”

Er was nog wel wat overtuigingskracht voor nodig voor ze uiteindelijk hun toestemming
gaven om langs te komen.Ik moest ze namelijk even wijzen op het feit dat ze een

Citroendealer waren . En omdat ik ook een Citroen had, waren ze dus eigenlijk wel aan mij
verplicht om mijn auto te proberen te maken.Volgens mijn logica dan. Die argumentatie bleek
te werken, en de volgende dag mocht ik langskomen met mijn DS. Gelukkig was de dealer op
een plaats gelegen die lager lag dan de boerderij, dus bergen hoefden wij niet over te gaan. De
stagebegeleider reed achter mij aan en na niet al te lange tijd bereikten wij een werkelijk
gigantische citroendealer. Bij het parkeren van mijn DS in de werkplaats begonnen de daar
aanwezige monteurs heel hard te lachen en tot op de dag van vandaag weet ik nog steeds
waarom dat nu precies was. In ieder geval was ik blij dat ik blijkbaar toch wat vermaak in
hun, naar ik aannam, toch wel eentonige arbeidsleven kon verschaffen en daarom vertelde ik
hen, om ze nog wat meer te laten lachen, wat er allemaal gebeurd was op de ferry waarmee ik
op hun eiland was afgezet. Na die galgenhumor was het tijd voor serieuzere business: mijn
koppelingsplaat. Ik gaf hen de sleutels en ze zouden bekijken of de koppelingsplaat inderdaad
versleten was zoals mijn bioboer beweerde en, zo ja, wat er dan aan te doen viel. Ze
waarschuwden me al wel dat de operatie wel eens een dure aangelegenheid zou kunnen
worden, maar ik had nu eenmaal geen keus en gebood ze toch maar aan de slag te gaan. Na 4
dagen kreeg ik een telefoontje. Het was inderdaad een versleten koppelingsplaat.

“Tja, zei ik,dan moet er een nieuwe in.”

“But we don’t have any, here in England,” was het antwoord

“Huh, Not at all?”

“No, not at all! So what do you expect us to do next.? Shall we put your car back together of
will you order a koppelingsplaat yourself?”

Nou, dat was het laatste wat ik verwacht had van zo’n grote en duur uitziende autodealer; dat
ze niet eens zelf aan zo’n stomme stalen schijf konden komen!En al die reeds uitgevoerde
moeite om hem vervolgens weer zonder plaat in elkaar te laten zetten, was ook niet zo
aantrekkelijk, want de arbeid moest ik dan natuurlijk toch betalen. Dus ik moest wel
doorgaan met de reparatie, anders was het allemaal voor niets geweest. Als echte DS
liefhebber was ik in die tijd natuurlijk ook lid van de Citroen DS club en ik besloot hen, in
Nederland, het probleem voor te leggen. Zij wilden de koppelingsplaat wel opsturen, maar ja,
dat kon wel even duren. In de tijd dat ik daarop wachtte, ben ik voor de grap nog een keer bij
de garage langsgegaan om te kijken hoe mijn auto eruitzagen dat was een behoorlijke schok.
Het gehele plaatwerk rond de motor (dus motorkap en voor zijpanelen) was verwijderd en ik
kon recht in het hart- en vaatstelsel van de auto kijken. Er was helemaal niets moois meer aan
mijn auto, maar het zag er wel verdomde ingewikkeld uit allemaal.

Na een week of drie kondigden ze aan dat mijn auto weer helemaal klaar was om de bergen te bedwingen. Er was
nog één klein dingetje dat nog moest worden afgehandeld: de rekening.

Die was zó hoog, dat ik terstond aanbood de DS aan de garage te schenken, bijvoorbeeld om
als mascotte in de showroom te zetten, ter vereffening van de absurde rekening. Maar helaas,
daar gingen ze niet mee akkoord. Mijn hemel! Mijn vaders woorden tuimelden ineens door
mijn hoofd: “…omgekeerde spaarpot….. tot in lengte van dagen”…. . Dit was geen rekening
meer, dit was mijn doodvonnis op schrift ! En trouwens ook die van mijn oude dame!! De
rekening bedroeg maar liefst 1700 pond, omgerekend naar euro’s: zo’n 2000 euro. Het was
verschrikkelijk! Nee, het was meer dan verschrikkelijk! Het was…, ja… eigenlijk
méér dan die kut auto (want zo dacht ik in ene over mijn mechanische alterego) bij aankoop
had gekocht!!Maar u zult begrijpen dat ik niet onder het betalen van de rekening uitkwam en
na heel wat leen en –schraapwerk, heb ik de rekening uiteindelijk kunnen betalen. Helaas heb
ik niet lang van de gerepareerde DS kunnen genieten, want dezelfde dag , of nog maar een
paar dagen daarna (ik weet het niet precies meer, dit speelde zich allemaal zo’n 6 jaar geleden
af) kregen ik en mijn DS alweer een ramp te verwerken. Dit keer was het een aanslag en die
kwam dit keer van links.

Moderne auto’s hebben een richtingaanwijzer die afslaat wanneer je de afslag (waar je met de
richtingaanwijzer naar toe hebt gewezen) eenmaal bent ingeslagen en weer rechtdoor rijdt.
Mijn DS, hoewel voorzien van de meest revolutionaire vindingen van die tijd, ik spreek over
de jaren 50 (zoals stuurbekrachtiging en luchtvering) , had géén richtingaanwijzers die weer
eenmaal terugslaan als je weer rechtdoor rijdt.In het begin dacht ik dacht het het analoge
klokje was dat er tenslotte ook nog in zat , dat zo’n herrie maakte. Later wist ik inmiddels dat
het‘tik tak tik tak’ geluidje van mijn richtingaanwijzer kwam waarna ik het dan snel
uitschakelde door mijn richtingaanwijzer in de horizontale stand te zetten. Maar het bleef een
subtiel geluidje en je moest het net horen om het te kunnen horen ,als u tenminste begrijpt
wat ik bedoel.

Die dag, of het nou dezelfde dag was of een dag kort na het volbrengen van de
koppelingsplaat, hoorde ik het geluidje blijkbaar niet, waarschijnlijk te zeer in trance door de
prachtige omgeving van Cornwall. Mijn te vervolgen weg ging rechtdoor, de mevrouw in de
auto stond links. Als in een horror film zag ik in eens dat de auto de weg begon op te rijden,
en ik kon niet meer wegsturen, kon alleen nog heel hard op mijn rem gaan staan, iets dat maar
weinig effect bleek te hebben: de auto ging gewoon rechtdoor…. met geblokkeerde wielen
slippend over dat natte Engelse wegdek, dat verdomme wel nóóít droog leek te
worden.Achteraf bekeken had ik misschien ‘pompend moeten remmen’, maar daar was het
ten eerste al te laat voor en ten tweede kende ik dat begrip toen nog niet. Een vreselijke klap
volgde, ook al ging ik maar 30-40 kilometer per uur. Uitgestapt en die Engelse muts maar
schreeuwen:

“You had your indicator on,you had your indicator on!”

Dat zou best kunnen,want zoals eerder gezegd, die vergat ik inderdaad nog wel eens. Maar ik bekeek de situatie
nog eens goed, en ik zag dat ik van rechts kwam. Dus was het voor mij een kwestie van
navragen of in Engeland dezelfde voorrangsregels als in Nederland golden. Dat bleek zo te
zijn. Daarbij had de vrouw nooit moeten anticiperen door alvast de weg oprijden, enkel
vanwege het feit dat ik een knipperlicht aan had staan. Men moet altijd wachten totdat de auto
daadwerkelijk een begin maakt de aangegeven richting daadwerkelijk in te rijden. Dus dit
keer was het een keer NIET mijn schuld, maar vervelend was het wel. Mijn hele stage werd op
deze manier wel steeds meer een tijd die ik zonder vervoer moest doorbrengen. Dat terwijl
mijn initiële plan was dat mijn mobiele vriendin en ik zo veel vrije uurtjes als dat maar
mogelijk was, in de Engelse country door zouden brengen. Uiteindelijk bleek het uitgebreide
lidmaatschap (en de voor mijn reis speciaal opgehaalde internationale reis-en krediebrief) van
de ANWB een godsgeschenk.Sowieso was de ANWB al een godsgeschenk voor mijn Godin
van de weg; elk jaar dat ik de auto had, zat ik op of zeker tegen het maximaal aantal
hulpaanvragen per jaar (7) .Omdat ik ook dekking in het buitenland had genomen, zou de
ANWB verder alles afhandelen: de berging door een vrachtwagen in Engeland, de boot naar
Nederland en de vrachtwagen naar een garage naar keuze in Nederland. Daar hoefde ik dus
allemaal niet meer over na te denken. Het enige waar ik me verder druk hoefde te maken was
de stage met een voldoende af te sluiten. En daar had ik inderdaad geen enkele auto meer bij
nodig: enkel de boer en mijn stagebegeleiders.

Het is een mirakel, werkelijk een mirakel dat ik uiteindelijk mijn stage heb gehaald. Niet
alleen heb ik de goedkeuring van de boer gekregen, ook kreeg ik de goedkeuring van mijn
begeleiders voor mijn arbeid in de praktijk. Enkel de presentatie aan de hand van mijn
stageverslag heb ik trouwens twee keer moeten doen aangezien ik het de eerste leuker vond
om over mijn auto-, bus- en tractor ongelukken te hebben, dan over het aantal bloemkolen wat
van een bepaald aantal hectare land afkwam en of dat nu veel of weinig was.

Ik zal u vertellen waarom het een mirakel was dat ik nog steun kreeg van de stagebioboer.
Want er is nog één ander klein dingetje gebeurd. Elk ander iemand had me na deze bepaalde
gebeurtenis, allang hebben gewurgd. En ik zou het zelfs begrijpen dat mijn bioboer, ,in het
geval hij me wel gewurgd zou hebben, daarna een veldje zou omploegen om mijn lichaam
daar, onder het mom van organische mest, ter plekke te begraven. Ik denk dat het de
Victoriaanse opvoeding van mijn stageboer (een opvoeding waarvan ik, als ik het goed heb
tenminste het idee heb dat emoties en andere ongecontroleerde uitbarstingen van ‘gevoel’
taboe zijn)moet zijn geweest dat ik dit hele verhaal überhaupt nog kan opschrijven. Misschien
werkte het feit dat de stageboer en zijn vrouw stiekem ook een beetje ‘posh’ (deftig) wilde
zijn en daardoor zich niet wilden verlagen door het tonen van grote emoties, ook wel in mijn
voordeel. Want ook al waren het doodgewone boeren; je zag hun ogen glimmen als ze weer
eens een chique restaurant als klant hadden binnengehaald. Ook zag ik dat, wanneer ze
klanten te woord stonden in de kelder (een soort winkeltje onder het huis) hun hele manier
van doen bij toverslag veranderde als er bepaalde mensen ,well dressed en well fed,
langskwamen. Een beetje als de hotelier Basil als in de allereerste episode van de serie
Fawlty Towers, waarin men kan zien dat zijn standaard onbeschofterig gastheerschapsgedrag
als een blad aan de boom omdraait als er een klant zich aan de receptie meldt, die slechts één
naam wenst te gebruiken,de achternaam…. maar dan wel voorafgegaan met het woordje
‘Lord’.

Het moet ongeveer gebeurd zijn kort voordat ik Engeland zou verlaten; waarschijnlijk in de tijd dat
mijn gedachten meer gericht waren op plezierige randzaken van de stage dan waar hij
eigenlijk op gericht zou moeten zijn, namelijk op ‘my core business’: de biolgische
dynamische landbouw. Die randzaken waren trouwens dezelfde randzaken die het beeld dat
mijn bioboer over mij gekregen had, op een gegeven moment toch naar de positieve kant
deden omslaan. In zijn ogen dan. De randzaken betroffen mijn fruitarierschap en meisjes. De
beste boer bleek mij te bewonderen vanwege het feit dat ik niet alleen streng veganist was
(zelfs rauw-veganist), maar hij liet zelfs toe dat ik zijn fruitvoorraad voor klanten plunderde in
mijn streven fruitarier te worden. Waarschijnlijk zou mijn aanslag op het fruit hem niet veel
meer geld gekost hebben , dan wanneer ik dat andere eten zou hebben gegeten dat hij toch
voor al die studenten moest inslaan. Met grote verbazing zag de boer dat ik in die twee weken
dat ik enkel fruit op fruit leefde, dat ik niet omviel, en ik weet aan de hand van de gesprekken
dat ik hem omtrent ‘voedsel’ aan het denken heb gezet. De tweede reden
dat de boer mij bewonderde is dat ik van de drie vrouwelijke studenten die daar na elkaar
kwamen, ik er twee tot een kortstondige relatie heb verleid. Misschien was het ook wel
andersom; feit is dat de boerderij niet alleen een broedplaats voor kippen was, maar ook een
voor ‘internationale betrekkingen’.

“Two out of three, good on you mate”, knipoogde hij mij altijd toe , als ik weer eens uit een
ander huisje kwam dan die mij oorspronkelijk was toebedeeld. Aan tenminste één meisje, de
Française, behoud ik nog warme herinneringen, aan de ander, de Oostenrijkse zoals eerder
aangehaald in dit verhaal, enkel de herinnering dat zij in bed nogal veel scheten liet, omdat
naar eigen zeggen, haar maag nogal van streek was door een poging tot het stoppen van
roken. Met haar heb ik (niet door de scheten, want die werden aanvankelijk met de mantel der
liefde of in ons geval, een dekbed) bedekt, vreselijke ruzie gehad. Dit kwam door een nacht
waarin de Oostenrijkse wiet (natuurlijk door de Nederlanders binnengebracht) had gerookt en
ik de ‘passing joint’ aan mij voor bij had laten gaan, omdat ik met dat gedoe toen al weer
lange tijd klaar was. Wellicht was ik wat hardvochtig in mijn wens niet bij haar te willen zijn,
terwijl ze niet helemaal goed reageerde op de groene versnapering. Maar ik had haar dan ook
van te voren gewaarschuwd en ik moet zeggen dat ik haar op dat moment echt niet leuk of
aantrekkelijk vond, eerder vervelend, paranoïde, en vooral ingewikkeld. Daarom verliet ik
haar in het holst van de nacht, en die nachtelijke sluipwandeling naar mijn eigen hut, heeft ze
me nooit vergeten. Zij was zó kwaad en bleef de rest van haar verblijf met zo’n grote
donderwolk om haar heen lopen, dat niet alleen mijn verblijf op de boerderij op een gegeven
moment nogal onaangenaam werd, ook alle andere mensen, dieren en planten leken wel in
alle mogelijke richtingen op te willen vluchten, , als zij haar blonde Tiroolse tronie (moest)
laten zien. Die skivakantie die zij mij, toen we nog goed waren, had beloofd, die zat er niet
meer in!

Afijn, de boer was dus net weer een beetje op mijn hand, toen er zich weer één ramp voltrok:
ik vergat wederom de tractor in zijn versnelling te zetten. Dat terwijl ik al die tijd niets
anders had gedaan mezelf in te prenten ‘versnelling is zijn twee + handrem, versnelling in
zijn twee + handrem!!’.

En op een kwade dag was het juist dát wat ik vergat. Achteraf bekeken
zou het vergeten van de versnelling best wel eens veroorzaakt kunnen zijn door een tekort aan
essentiële vitaminen in mijn hersenpan, een voortvloeisel van mijn stringente fruitdieet. Mijn
andere theorie is het enigszins temperende effect van de liefde op de rationaliteit. In ieder
geval: de geschiedenis herhaalde zich maar de plaats van handeling was dit keer geen berg,
maar een hoger gelegen schuur en het mechanische slachtoffer was dit keer ‘het andere fruiten
groente busje’, waarschijnlijk speciaal uit een of ander schuur gehaald om het eerste busje
niet aan de klanten te hoeven tonen. Waarschijnlijk was de boer een beetje door zijn busjes
heen, want dit keer was zijn reactie allesbehalve ‘Victoriaans’.

Vandaag de dag zie ik de hele scene nog kraakhelder voor me. De bioboer had een soort
grote toren gebouwd waarvandaan hij zijn landen kon overzien en waar hij meteen de daarbij
horende administratie kon afhandelen. Nadat de tractor naar beneden was gerold (dit keer
gelukkig niet met de lepels naar voren, maar enkel met de motorkap) en wederom een harde
klapzoen tegen een witte zijkant van een groentebus, had gegeven, had ik mezelf in de
toren verschanst terwijl ik iemand anders had ingeschakeld om het slechte nieuws over te
brengen. Het was een ongemakkelijke situatie want ik wist dat de boer de schade aan het
opnemen was, en ik wist niet goed wat ik moest zeggen als hij daar eenmaal van was
teruggekeerd. Gangbaar tijdens ons werken op het land was zijn van veraf gestelde vraag

“Are you allright”?

Na het immer bevestigende antwoord, ging hij dan vervolgens weer met
zijn eigen bezigheden aan de gang. Terugkijkend heb ik eigenlijk qua overdracht van
bioboertechnische kennis eigenlijk best weinig aan hem gehad, maar het is te makkelijk om
hier op dit moment ook naar zijn fouten te zoeken, want er is maar één iemand die hem bijna
deed besluiten zijn bedrijf op te doeken en dat was ik.

Goed, terug naar de wachttorensituatie.

Op een gegeven moment kwam hij terug van het
schade opnemen. Het leek wel of de wind was gaan liggen. Ook hoorde ik de kippen niet
meer tokken en ik leek warempel het groeien van de wortels in de aarde te kunnen horen. Het
bleek de stilte voor de storm. Daar kwam hij aangelopen, ik zie nog zijn witte melkbenen in
die grote groene kaplaarzen over het betonnen erf heen benen. Rooie vieze fleece trui aan,
haren al wat grijs en wild. Hij ging gelukkig niet richting wachttoren, maar richting zijn eigen
huis. Ik wist niet zeker of het goed was nú mijn muil open te trekken, zeker omdat, als ik zou
worden opgemerkt en de boer had kwaad in de zin, ik 123 geen vluchtweg uit de toren wist.
Samen met een boze bioboer te zitten in een toren van 4×4 mtr, zonder een mij bekende
vluchtweg, leek me op dat moment geen prettig idee, afgezien van het feit wat ook niet
helemaal ondenkbaar was, dat hij me ook nog wel eens van die toren af zou kunnen gaan
lazeren. Ook wist ik niet, áls ik dan besloot iets te zeggen, wat het dan moest zijn waarmee ik
de situatie weer enigszins in de hand kon krijgen, in plaats van dat ik waarschijnlijk mijn
laatste momenten op de groene aarde zou beleven. Toen viel mij het standaarzinnetje in dat de
boer tijdens mijn stage zo vaak had gebruikt ‘Are you allright?’ Ik besloot dat dat misschien
wel een gepast zinnetje zou zijn om enerzijds naar zijn gemoedstoestand te vissen, anderzijds
een kleine kwinkslag naar de boer zelf te maken, omdat hij dat zelf nu eenmaal altijd vroeg,
daarmee tegemoet komend aan zijn, hopelijk behoeftige, ego. Toen de boer het betonnen
pad half had overgestoken, besloot ik het toch te wagen…..

“ Are you allright?

Als er al sprake geweest zou zijn van een bezinksel van een Victoriaanse opvoeding, dan was
die bij de boer , via zijn groene kaplaarzen, nu wel op het betonnenpad uitgelekt. Bij het horen
van mijn stem, schoot zijn blik richting de wachtoren, en ik zag al zijn gelaatsuitdrukking dat
ik de verkeerde keuze had gemaakt. Het was de boer niet meer die ik daar zag. Zijn hoofd,
eerdaags immer in een gepaste plooi met zuinig Engels glimlachje, leek nu op het hoofd van
een Noorse Viking, waarvan de helm is afgevallen en die net heeft gehoord dat zijn hele
familie is uitgemoord ….en toch moest hij, in zijn eentje, zonder zwaard, het opnemen
tegen een heel peloton krijgers, althans zo’n blik had hij althans.

….. Allright… …right right … weerkaatsten de Cornwallse bergen tot mijn ongenoegen.

Of het moest ineens zeer plaatstelijk geregend hebben, of het moet toch de spetters van de
consumptie waarmee mijn arme bioboer van onderaan de wachttorentrap zijn woorden naar
mij toe canonneerde. Mijn immer beschaafde, stiff upperlip, ‘never show your emotions’
stageboer verlaagde zich tot de volgende zin:

NO I AM FUCKING NOT!!!!!!!!!!

Ja, het is hoogstwaarschijnlij de ‘f; geweest zijn die de plaatselijke regenbui om mijn eigen gezicht verklaarde.

Ik begreep hem wel. En ik voelde me ook wel lullig, als niet ‘terrified’ om de
gevolgen die mijn twee tractorongelukken zouden hebben. Maar als die er al zouden komen,
dan zou dat later zijn, want nu was het zo dat het hoofd weer richting eigen huis gedraaid
werd en ook de witte benenpas ging die richting op.

“Pffff”… ik zou dus niet van de toren gegooid worden… dat was tenminste al wat.

Nou het gekke. Het woord verzekering is nooit gevallen. Ook mijn school is nooit aansprakelijk gesteld. Ik
heb zelfs voor gedane arbeid nog 150 pond gekregen, een beloning die elke student na twee
maanden arbeid kreeg, maar wel een beloning die ík niet meer had verwacht te mogen
ontvangen. Boer Gregory heb ik echter nooit meer gesproken, hij liet zich niet meer aan mij
zien, waarschijnlijk om zichzelf te vrijwaren van de gevolgen die Her Majesty via haar
Criminal law hem zou opleggen als hij mijn nek binnen één meter van zich vandaan wist.
Ben zelfs nog keurig weggebracht door zijn immer nerveuze boerinnevrouw die na mijn
verblijf waarschijnlijk wel opgenomen zal zijn in een mental institution en ik kan niet anders
zeggen dan dat ik verbaasd ben door de weinig verstrekkende gevolgen die mijn escapades
hadden voor mijn studieverloop. Misschien heb ik nog dan toch nog wel iets goed gedaan, of
misschien wisten zij het ene wel van het andere te scheiden. Want feit was wel dat alles daar
aan het eind van hun Latijn was; tractor, busjes, landbouwvoertuigen, schuren, huizen.. alles
stond op instorten. Misschien was ik wel, om de cabaratier Hans Teeuwen aan te halen, die
stoere cowboy die ze net dat laatste duwtje richting afgrond gaf, om ze daarmee liefdevol een
nieuwe richting op te sturen.

Als dat zo is, dan … heb ik dat graag gedaan.

Toen ik niet alleen de organic farm in Cusgarne maar Engeland in zijn geheel verliet, heb ik nog voor de
boer, als aandenken aan mij en mijn (voor zijn wagen­tractor en busjespark dan) nogal destructieve
stageperiode, een klein boeddhabeeldje gekocht: dik, gierend van de lach en met de handen  omhoog
gestoken. Erbij had ik een papier met een  klein gedichtje erop neergelegd. Hoe het gedichtje precies
ging, kan ik me na al die tijd niet meer herinneren maar de  strekking ervan nog zeker wel.
Ik had zoiets geschreven als:

‘Als je een (mest­)kar aan problemen ondervindt en je krijgt het gevoel dat alles en iedereen in deze
wereld tegen je is, laat deze gedachte dan onmiddelijk los.   Steek juist, net als dit
Boeddhabeeldje hier,  je beide handen in je lucht en lach! Ontspan!  Want  weet dat, ondanks het
schijnbare gewicht van je  huidige problemen, dat werkelijk niets zo erg kan zijn als die drie maanden in
de vroege zomer van 2005, de maanden dat  Berend from Holland  op je boerderij  huishield.’

In Engeland stopte, hoewel sommigen in die tijd daar best voor hadden willen pleiten, mijn carrière op
de weg natuurlijk allerminst. Weldra zou een tuincentrum in mijn huidige woonplaats Dronten de zure
vruchten van mijn rijkwaliteiten proeven. Ik solliciteerde niet lang na mijn Engelse avontuur op een
vacature in de buurt welke inhield dat (mocht ik aangenomen worden)  ik bloemen zou moeten gaan
weg brengen. En ik werd aangenomen. Wat een mooie baan was dat! Achteraf gezien dan. Ik kwam te
rijden in een indrukwekkend  grote bus. Op de buitenkant ervan levensgrote foto;’s van planten en
bloemen . Beladen met heerlijk geurende bloemen, op weg naar mensen die altíjd blij waren om me te
zien als ik eenmaal met het voor hen bestemde boeket bloemen, voor de deur stond.  Misschien zou de
blijdschap in het  geval van een begrafenisboeket wat minder geweest zijn, maar dat heb ik gelukkig in
die korte periode dat ik voor dit tuincentrum werkte, niet meegemaakt.

Ik was dan ook behoorlijk gelukkig die eerste paar dagen van die eerste  (en laatste) week: een beetje
de Flevopolder heen en weer crossen, wat was er nou mooier dan dat?  Emmeloord, Biddinghuizen,
Swifterbant, Emst, Nagele,  Dronten; allerlei dorpen die u misschien niets zullen zeggen (maar die hier
in de polder wel degelijk wat betekenen), deed ik aan. En wanneer ik eenmaal voor de deur stond en de
deur zwaaide open? Verraste en ineens over wat meer energie beschikkende oudjes;
van oor tot oor glunderende jarige jobs, duidelijke verliefde (huis­)vrouwtjes; kapotgewerkte maar trotse
jubilarissen, maar ook de extra verraste mensen die een ‘zomaar­bloemetje’ kregen: íederéén was
verheugd om mij en mijn bloemen voor de deur te zien staan. Ik kreeg op een gegeven moment
warempel het gevoel dat IK de grote gulle bloemenuitdeler was, dat IK de verloren zoon was die zijn
oude ouders  een keertje niet vergeten was, dat MIJN personage het subject van aanbidding van  die
verliefde vrouwen was, dat IK de werkgever van de loyale en jubilerende werknemer was.
Maar dat was ik natuurlijk allemaal niet: ik was slechts de ‘middleman’. Maar goed, waar men soms nog
wel eens het spreekwoord ‘ Don’t shoot the messenger wil heroverwegen, in mijn geval was daar nooit
sprake van. En daarnaast; hoewel het niet het meest creatieve werk was en ook niets was voor langere
tijd;  ik was allang blij dat ik een baan had die mijn strenge eisen der ethiek kon doorstaan. Werken in
een slachthuis, Mc­Donalds, of bij een Shell benzinepomp zou in die tijd, absoluut uit den boze zijn,
aangezien ik al deze bedrijven (en nog steeds) tot de  meest verwerpelijke bedrijven uit de menselijk
historie beschouw. Maar bloemen,,,,, die hielden van mensen, en behalve de flinke hoeveelheid  gif die
gebruikt wordt om de tulpenbollen waaruit ze uiteindelijk zouden opkomen, was er ethisch niet veel op
aan bloemen aan te merken.

Op een fleurige dag ( ik had die dag al heel wat boeketten afgeleverd) werd ik door het tuincentrum
naar een autodealer in mijn woonplaats Dronten gestuurd: het was een spoedje. Klanten zouden
(waarschijnlijk een dure) auto kopen en de autodealer dacht waarschijnlijk dat een bloemetje op de
motorkap die mensen eerder tot de koop zou bewegen. Het klonk in ieder geval als een mooie taak voor
mr. Flowerman,  ik dus. Ik stapte dan ook, bewust van mijn verantwoordelijke taak,  in mijn bloemenkar.
Aangekomen op de parkeerplaats van de Volkswagenautodealer, zag ik het mooi gepoetste autopark.
Heel even flitste mijn onfortuinlijke autohistorie door mijn gedachten,  maar ik vermande me. Ik schudde
met mijn hoofd, en zei flink: Kom op, Berend,  het verleden is NIET de tijd waarin je leeft, het nú, dáár
draait het om. En draaien deed ik, zoals u nu inmiddels wel zult begrijen, dus heeeeeeeeeeel
voorzichtig op dat parkeerterrein vol potentiële autoschade.

Ik had maar weinig ruimte;  vóór me auto’s van 10.000 euro, en achter me auto’s  die nog meer euri
waard waren. Op een gegeven moment had ik dan toch zowaar wat autovrije ruimte voor
mijzelf gecreëerd. Opgelucht haalde ik adem.  Ik had alle auto’s behoedzaam ontweken en vóór mij lag
nu  een redelijk lege parkeerplaats.

Ik wilde gaan parkeren, maar opeens realiseerde ik me dat ik, als ik niet eerst wat naar achteren zou
steken, dat ik wel eens schuin in het parkeervak terecht zou kunnen komen. Bewust van de zware
verantwoordelijkheid de belichaming van het visititekaartje van tuincentrum Groenrijk Dronten te wezen
(waarvan ik vond dat ik dat toch wel na die drie dagen  was), besloot ik dus maar weer naar achteren te
rijden om wat rechter voor het parkeervak  komen te staan. Ik zette de auto in zijn achteruit, maar voor
de zekerheid bleef ik toch maar in mijn achteruitkijkspiegel kijken.

“Het kan wel, het kan nog wel, nog een klein beetje….”

BAM!!

Het geluid van een luide metaalachtige klap bereikte via mijn openstaande raam mijn oren. Metaal?,
bedacht ik me verbaasd? Ik keek nog eens goed in mijn achteruitkijkspiegel: in geen velden of wegen een auto, of een andersoortig metaalachtig voorwerp te bekennen. Misschien de ruit van de showroom? Maar daar kon de achterkant
van mijn bus toch nog lang niet zijn? De ruit schitterde immers nog minstens drie meter van mijn eigen
achteruit, dus die kon het echt niet zijn, leek het me althans,

De metaalklap had inmiddels  allerlei in krijtpak gehesen autoverkopers naar buiten  gedreven, en zij
keken eerst naar mij(met een blik van verbazing en misschien ook iets van ongeloof) en toen naar iets,
tja… waar keken ze eigenlijk naar?  Hetgeen waar zij met open mond naar staarden scheen ergens
achter mijn bloemenbus te zijn….het leek zich wel ergens in de lucht te bevinden. De hoop dat het
misschien een vogel was die ergens tegen aan was gevlogen, was heel even in mijn hersenpan
aanwezig, maar vliegensvlug  denken liet die hoop, vervelend snel vervliegen. Welke vogel maakte
immers een andere klap op metaal dan een doffe klap? Het geluid was immers duidelijk een ‘metaal op
metaal” ­klap geweest, en zolang die vrije vogels nog niet uitgerust zijn met loden ballen aan hun
eventueel geringde pootjes (de zogenaamde gedetineerde en dus niet meer zo vrije vogels), was de
kans dat ík toch weer verantwoordelijk was voor de metaaldestructie, vele malen groter. Dus met…tja,
lood in mijn eigen schoenen  (dat dan weer wel) stapte ik uit om ook datgene te aanschouwen wat
naast de autodealer,  nu ook de potentiële kopers van de dure auto,aan het bekijken waren.

Het was een raar gebeuren: vijf mij volstrekt onbekende mensen, door het noodlot bijeengebracht, die
kennelijk ‘iets ergs’ aan het bekijken waren, waar ik dan weer eens verantwoordelijk voor was. En ik die
me bij dat clubje  met behoud van zelfrespect en liefst ook nog met een waardige gang in mijn looppas,
moest vervoegen. Terwijl ik om de neus van de bus aan het lopen was,  dacht ik even: Zou ik gewoon
net doen alsof ik niets gemerkt heb? Gewoon zeggen: “Goedemiddag, lieve mensen, zijn hier nog
mensen die houden van bloemen? En dan gewoon naar het aan het boeket hangende kaartje  gaan
staren om na een tijdje doodleuk te zeggen:

“Ja? , Komp dat nou effe toevallig uit,  heb ik hier net een prachtig  boeket rozen en die tere bloempjes
zelf hebben mij net in het oor gefluisterd dat zij houden van…” Hier zou ik dan  even pauzeren om
daarna heel enthousiast  de naam roepen, bijvoorbeeld: “ …Meneer en mevrouw Venekamp, kom maar naar voren.!!!”

Maar ja, dat zijn van die zogenaamde 3 milliseconden­dromen hè,? Ik heb die wel vaker: makkelijke
uitvluchten uit een realiteit die pijnlijk dreigt te worden.
Uiteindelijk nam ik, omdat ik niets beter wist te bedenken, maar dezelfde stomme gelaatsuitdrukking
aan als de mensen waar ik naar toe liep, kon nog net  mijn “Goedemiddag! inslikken  (want dat zou het
voor hen wel eens NIET kunnen gaan wezen), en keek allereerst maar eens naar waar zij al die tijd
naar stonden te kijken. Want eigenlijk….. was ik, hoewel ik een realiteit vreesde waarin
vervelende verzekeringsmaatschappijen , ontslag of slechte referenties  een rol zouden kunnen gaan
spelen, toch eigenlijk  ook wel een beetje benieuwd.

En ja hoor, daar was die dan.. de onmiskenbare schade:een flinke deuk in een ijzeren gevel, net boven
de ruit van de showroom.

Dát krijg je dus met gevels die je een paar meter eerder tegenkomt dan de ruit, omdat architecten
namelijk zoiets idioots als ‘overhangende gevels’ denken te moeten bouwen, omdat ‘de mensen ook in
de regen naar die stomme auto’s moeten kunnen staren.  En die stomme ijzeren gevelplaat….. die had
ik dus ook nooit van mijn leven kunnen zien in mijn achteruitkijkspiegel, omdat mijn binnenspiegel enkel
de ruit van de showroom kon weerspiegelen en geen enkele beeltenis van de erboven hangende ijzeren
gevel kon vangen, omdat de laadklep daar nu eenmaal voor hing. En de zijspiegels die hadden die
ongeluk ook al niet kunnen voorkomen? Die zijn immers niet zo afgesteld dat je ook dingen die zich op
vier meter hoogte bevinden, achter je kunt zien. Eigenlijk bevond ik mij een beetje in die grot van Plato,
u weet wel, van die allegorie waarin de mensen ook niet de gehele werkelijkheid konden zien zoals die
eigenlijk  was.

U zult zeggen: Maar je had toch kunnen zien dat er zo’n overhangende gevel was, toen je met je bus
het terrein opreed? Fout! Toen was ik immers veel te druk dat dure autoblik te ontwijken!
Dit keer dus geen blije gezichten die mij ontvingen en ook het boeket rozen dat ik in mijn handen had,
sloeg een beetje als een tang op een varken.

­”Tja, dat is niet zo mooi, zei uiteindelijk de opper­autodealer toen ik eenmaal naast hem stond. Hij
doelde duidelijk niet op het boeket bloemen dat ik maar snel achter mijn rug gestoken stak.

­ “Eh… heb ík dat gedaan, vroeg ik onschuldig? ”

­”Ik vrees van wel, zei de man in pak beslist.

­”Mmm”, mompelde ik, en ik wist eigenlijk niet goed wat ik nog meer zou moeten zeggen.

­“Ik denk dat we je baas maar eens moeten gaan bellen, zei hij tenslotte nadat we  beiden een lange tijd
zwijgend eerst naar de bovenkant van de laadklep van de bus gekeken hadde en toen weer naar de
deuk in de gevelplaat hadden staan kijken.

­”Ja, zei ik bedroefd, ik denk dat dat op dit moment inderdaad het beste is.Wilt u de bloemen trouwens nog? en ik haalde bedremmeld de bloemen achter mijn rug vandaan.”

­”Ja, geef maar, en hij pakte het boeket rozen van me aan.

“Duur boeketje”, zei de man nog en als eerste vertrok hij weer naar de voordeur, met in zijn gevolg de
andere verkopers en ook de potentiële klanten die mij nog een laatste verontwaardigde blik dachten te
moeten toewerpen.

Dezelfde dag nam ik ontslag. Nog niet eens om te voorkomen dat de baas mij bij zich zou roepen of om
de nare consequenties van mijn gevelplaatactie te ontlopen. Eén reden waarom ik toch al weg wilde,
was omdat ik vanaf het begin af aan  mijn twijfels had bij de baan; ik besefte namelijk dat de baan  ‘veel
zitten’ (het was tenslotte een rijbaan)  zou betekenen  en dat wilde ik eigenlijk niet. Ik had de smaak van
lichamelijk hard werken gekregen door mijn boerenopleiding en ik wilde een baan waarbij ik fysiek in de
weer was. Een andere reden dat ik weg wilde, was omdat ik mij sociaal nogal geisoleerd voelde van het
overige werkvolk. Dit kwam misschien omdat mijn baan  nu eenmaal betekende dat ik steeds kwam en
steeds weer weg reed en als zodanig ook geen echte band met hen kon opbouwen. En de keren dat ik
dan pauze had en in het tuincentrum zelf aanwezig was, zat ik dan alleen,  want ik kende er niemand en
was in die tijd niet, minder in staat om die sociale banden dan toch aan te gaan. Ik was destijd nogal
gevoelig voor dingen als eenzaamheid en ik ging ze liever uit de weg dan dat ik er de strijd mee
aanging.

Bijna dagelijks word ik geconfronteerd met het hierboven beschreven noodlottige avontuur als
bloemenbezorger voor Tuincentrum Groenrijk Dronten. Telkens als ik naar de bouwmarkt moet of naar
de goedkope pomp (want  Shell wordt door mij geboycot!), moet ik langs de rotonde rijden waarnaast
direct de Volkswagen dealer gelegen is.  Blijkbaar heeft de autodealer mijn toenmalige baas nooit
gebeld of heeft de verzekering toch geweigerd uit te betalen: de deuk in de ijzeren gevelplaat zit er tot
op de vandaag de dag namelijk nog steeds.  Nog even diep en nog even lelijk,  precies in het midden
van al die andere puntgave gladde witte vlakken.

En weet u,  volgens mij laat de dealer de deuk express zitten, gewoon om mij te pesten. De deuk stoort
mij  namelijk vreselijk; als een steeds terugkerende puist. Iedere keer als ik er voorbij rijd, word ik aan
de ene kant kwaad omdat die  toch zeer bemiddelde autodealer, de deuk gewoon maar denkt te moeten
laten zitten.terwijl hij  misschien maar een eurootje of 400 hoeft kwijt te zijn om deze schandvlek op zijn
etablissement te laten uitwissen, daarmee meteen de kans vergrotend dat de deuk  ook eens gewist
wordt uit niet alleen míjn geheugen. Maar ook mijn auto­zelfvertrouwen.

Aan de andere kant schaam ik me, elke keer als ik er lang kom.Ik schaam me omdat die deuk in die
ijzeren plaat mij op pijnlijke wijze laat zien, dat ik, ondanks al mijn goede wil, voorbereiding en
voornemens omtrent het autorijden, ik toch weer iets  over het hoofd  (in dit geval bijna letterlijk) gezien
heb.Maar ik ben er inmiddels wel achter waarom dit soort dingen dan toch gebeuren:  dat komt omdat
het leven  soms gewoon oneerlijk is. Nou ja, mijn leven dan in ieder geval.
Heb ik nu alles wel zo’n beetje verteld wat er te vertellen is, wat betreft auto’s, autoschades en meer
mechanische rampspoed?  Nee, er is nog veel meer aan blik wat ik gecrashed, bijna en compleet
vernield, ingedeukt, opgeblazen, verloren en kwijtgeraakt en verkeerd volgegooid heb.

In een poging mijn verhaal toch eens een keer af te ronden, hier een opsomming van de overige dingen die mij  ‘op
autogebied’  gebeurd zijn:

-­Een rooie Toyota Starlet, te zwaar beladen in een poging mijn verhuiskosten te drukken. Resultaat: een
overbelaste en een uiteindelijk opgeblazen motor;

­-In Nieuw-­Zeeland: Een witte Nissan Bluebird: een opgeblazen motor. Kapotte koppakking. Waarom?
Geen idee;

­-De motor van mijn eerste bestelbus, een Opel Combo, te laat olie bijgevuld: oververhitte motor,
uiteindelijk vervangen door een donormotor van een andere opel Combo. Ook deze motor is recentelijk
is oververhit geraakt en overleden. Dit omdat de koelvloeistoftank, dat voor koeling had moeten zorgen,
lek was  (Ja, wie kijkt daar nou naar?!);
­
-Schade bij de auto van een buurman van een vriend. Nadat ik net mijn rijbewijs had gehaald,
grootmoedig zeggen dat ik wel in zijn auto mag rijden,  om als het misgaat (een paaltje) te gaan piepen
dat ik de schade moet gaan betalen, omdat hij anders zijn no­ claim kwijt was. Ja, had mij dan nooit
laten rijden, lamlul!;

­-Iemand die claimde dat ik zijn auto had beschadigd en mij middels mijn bedrijfsnaam en
telefoonnummer  op mijn bestelbus achterhaald had. Die heb ik gelukkig kunnen afpoeieren door te
zeggen ‘dat iedereen dat wel kan zeggen die mijn telefoonnummer op mijn bestelbus ziet staan’. Maar
gezien mijn geschiedenis…… weet ik nog niet eens zo zeker dat ik het NIET gedaan had;

­-De leaseauto van mijn broer één dag voordat hij ingeleverd moest worden, aftanken met  een
verkeerde brandstof. Wist ik veel. Gelukkig geen verdere consequenties dan een stilstaande auto en
een flink vloekende broer;

-­Een deuk in de glimmende chromen bumper van mijn geliefde en tegelijkertijd evenzozeer  gehate
Citroen DS: lantaarnpaal die niet onder de indruk was haar lijnen en niet  wilde wijken;
­Dezelfde DS. Tijdens mijn verblijf in Nieuw­ Zeeland zoals het hoorde, keurig droog gestald. Bij een
boer. Na terugkomst…. adres kwijt. Dus … auto kwijt. Enkel de plaatsnaam wist ik nog en na in die
plaats tevergeefs bij verschillende boeren langsgeweest te zijn, via de DS­ club uiteindelijk de boer
kunnen achterhalen, die gelukkig ook lid was van de club.

-Na inspectie van de motor, en zoals in het begin van het verhaal vermeld, een niet afgesloten motorkap van mijn DS. Op de snelweg vloog de kap open en belandt op mijn voorruit. Bijna geen enkel zicht meer, slecht door een klein boogje had ik nog zicht en ik weet  mij nog net naar de vluchtstrook te manoeuvreren: levensgevaarlijk.
­
-Toen ik mij, rijdend in mijn huidige auto die ik toen net twee dagen had,  in de grochten van mijn
geheugen aan het diepen was (om vooral niets voor dit verhaal te vergeten) het feit van de
openwaaiende motorkap vond,  glimlachte ik om zoveel stommiteit maar ook om de gelukkig afloop
ervan. Tegelijkertijd voelde het ineens ook behoorlijk koud aan en in de achteruitkijkspiegel zag ik de
reden daarvoor: mijn achterklep stond open. Ik had hem  op een pompstation, net opengedaan om de
binnenkant van mijn knipperlichten te controleren (die het niet deden) en dus vergeten dicht te
doen. Gelukkig was het laat en was er weinig verkeer: die vuilniszak met net gewassen kleren die zo
dicht hij bij de rand van mijn laadbak stond, had best voor een vervelend ongeluk kunnen zorgen.

Einde

Advertenties

2 reacties op “De automobiel en ik: een gouden combinatie!

  1. kompoelan
    april 7, 2015

    hahahah mis nog het stuk van de ernstige bevuiling parkeerterrein van een of andere knakker op het golfpark

  2. fruitarier
    augustus 25, 2015

    O, ja, helemaal verdrongen 😄. Je doelt natuurlijk op de uitstorting van olie a la de exxon valdez bij mijn allereerste klant van mijn hoveniersbedrijf?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Informatie

Dit bericht was geplaatst op maart 25, 2015 door .
%d bloggers liken dit: